Langs de Geul

Langs de Geul, stroomopwaarts tot aan de Belgische grenzen.

 

De Beneden- en Middenloop der Geul is sinds jaren het doel van honderden toeristen, die de schoonheden der natuur komen bewonderen. Wij willen uwe aandacht vestigen op en u geleiden naar een oord, dat tot nn toe onbekend en daarom wellicht ook onbemind is in de toeristenwereld. Wij bedoelen het Geuldal van Gulpen tot aan de grenzen. Voor wij ons op weg begeven, ver­ geten wij niet onze veldflesch te vullen en eenige ververschingen in de blikken trommel te stoppen. Strak zullen ze ons te stade komen.

Tegen het opgaan der zon reeds begeven wij ons van uit Gulpen op weg. De groote breede straatweg van Maastricht naar Aken geleidt ons in eene Zuid-Oostelijke richting. Bij 't Café de “De oude Geul” verlaten wij den heerweg. Eene vrij steile kunstmatig aangelegde trap noodigt ons uit de eerste helling van den Gulperberg te beklimmen. De opkomende zon overgiet het voor ons zich uitstrekkende landschap met gouden stralenbundels, die aan alles een tooverachtig aanzijn geven. Na een hollen weg doorgewandeld te zijn, bevinden wij ons in de nabijheid van 't gehucht Partei, waar wij den gewonen weg verlaten om een voetpad in te slaan, dat schier onafgebroken ons gedurende anderhalf uur langs de boorden der Geul voert. Van hier tot het Belgische dorp Sippenaken loopen wij als over een zacht tapijt van tallooze weiden, - hier beemden genaamd. - Steeds aan den rechterkant stroomt en murmelt de snelle Geul verder.

Nu eens bevinden wij ons vlak aan hare oevers, zoodat onze voeten slechts behoeven uit te glijden om met het verfrisschende nat kennis te maken, dan weer verwijdert zij zich in een sierlijken bocht, steeds kronkelende tusschen struiken en geboomte, om op eens, als bij tooverslag zich weer in onze onmiddellijke nabijheid te bevinden. Aan weerszijden van hare oevers strekken zich vette weiden uit, waarin tal van schoone runderen vreedzaam grazen. Slechts te Mechelen worden wij even genoodzaakt ons voetpad te verlaten.

Hier in dit liefelijke dorp aan beide oevers gelegen, wordt door een tweetal molens van de kracht van 't Geulwater partij getrokken. Willen wij 't karakter van 't landschap goed in ons opnemen, bestijgen wij dan even de hellingen der heuvelen. Nu verkrijgt het gezicht waarlijk iets boeiends; welige weilanden en hooge struiken en boomen omzoomen de oevers der Geul. Aan beide zijden verheffen zich aan de smalle vlakte donkere bergen, wier toppen schier overal met bosschen bedekt zijn. Tegen de hoogte, die den linkeroever vergezelt, ligt het vriendelijke dorp Epen, wiens kerktorenspits in 't zonlicht blinkt. Honderden bronnen aan den voet der heuvelen voeden de Geul. Gezeten onder een boom bij dat opborrelend water, is het alsof Nixen en Elfen er uit opstijgen, en in gedachten dwalen wij onwillekeurig in 't rijk der sprookjes rond. Daar ligt poëzie in 't landschap.

Na bij de grenspalen eenige minuten verpoosd te hebben, wandelen wij verder en krijgen weldra het Belgische dorpje Sippenaken in 't oog, dat vrij hoog tegen de heuvelhellingen is gelegen. De huizen zijn meest klein, doch rein en ’t oog heel lacht ons vriendelijk tegen. Gekomen aan de groote chaussée (weg), slaan wij de richting in naar Gemmenich.

Een lange, vrij hooge berg met een donker bosch strekt zich aan onze linkerhand in de onmiddellijke nabijheid uit, zoodat ons uitzicht naar dien kant belemmerd is. Des te ruimer is echter het vergezicht aan de tegenovergestelde zijde. Hier vertoonen zich de rookende schoorsteenen van den “Bleiberg”, thans, nu op de plaats zelve geen erts meer gedolven wordt, van minder beteekenis. Ons oog rust onvermoeid tegen het langzaam stijgende heuvelland, dat als bedekt is met weiden, welke door heggen van frisch groen hout gescheiden zijn. En in die weiden liggen de nette witte boerenwoningen - erven - verspreid en steekt hier en daar een dorpskerktoren zijn slanke spits naar boven.

Wij schrikken. Wat beteekent dat? Plotseling vertoont zich de rookende locomotief van een trein, die hijgend en blazend om een draai van den berg van beneden uit het dal naar boven stoomt. Wat gaat dat steil naar boven! Wat rijdt de trein langzaam! Niet zelden ziet men twee of drie “machines" voorop.

Spoedig zijn wij te Gemmenich in de nabijheid van Europa's kleinsten Staat: "Onzijdig Gebied" of “Vieille Montagne” of “Altenberg” genaamd. Eerst den inwendigen mensch versterkt, waartoe in Gemmenich gelegenheid te over bestaat, en daarna de hoogte vlak voor ons bestegen. Bij elken stap dien wij stijgen, krijgen wij een nieuw gezichtspunt, een nieuw vergezicht dat ruimer en schooner wordt.

Wij willen deze plek, waaraan wij ons als vastgekluisterd gevoelen, niet verlaten, eer wij een bezoek gebracht hebben aan 't punt der “Drie Palen”. Staande op dit punt kunnen wij door één voet te verzetten het grondgebied van drie koninkrijken betreden, n.l. Nederland, Pruisen en België. Broederlijk staan ze naast elkaar, de drie grenspalen, en geheel onder den indruk van 't schoone landschap rondom ons uiten wij den wenseh: “mogen deze streken nooit door den alles verwoestenden oorlog bezocht worden!”

Een ieder, wiens harte vatbaar is voor de schoonheden der natuur zal overvoldaan naar 't kleine station Gemmenich terugkeeren om een billet te nemen naar Aken, waar ons de trein in een kwartier henen voert. Nauwelijks is de trein in beweging of alles rondom ons verandert als bij tooverslag: wij rijden den eersten tunnel nabij onze grenzen binnen.

Te Aken verwisselen wij van trein en sporen in een goed half uur naar Wylré van waar ons de omnibus naar ons hotel te Gulpen terugvoert.